2. Waar de Montessorischool voor staat
2.1 Visie
“Gebruik makend van al onze kennis, inzicht en vernuft treden wij het kind tegemoet om het te inspireren tot een houding van nieuwsgierigheid en betrokkenheid. Dit te organiseren is de wezenlijke opdracht van de school.”
Maria Montessori.
Doel is dat de kinderen uit zich zelf zelfstandig werken en leren. Hoe krijg je dat individuele leren voor elkaar in een klas met 30 kinderen?
Hiervoor hanteren wij drie uitgangspunten uit het Montessorionderwijs:
• “Vrijheid in gebondenheid”: de leidster zorgt door voorbeeld en begeleiding dat in de klas een rustige en nette werksfeer heerst. De kinderen weten dat vrijheid alleen mogelijk is door de duidelijke afspraken die er bestaan.
• “Help me het zelf te doen”: de leidster en de omgeving dagen de kinderen op allerlei manieren uit om te werken, te onderzoeken.
• “De voorbereide omgeving”: deze omgeving staat vol met uitdagingen om te leren, en ook om te zorgen.
Hieronder volgt een korte schets van een werkperiode op onze school, waar al deze elementen in terugkomen:
Als het kind de klas binnenkomt geeft het de leidster een hand. Ze wensen elkaar goedemorgen. Dit is het moment dat kind en leidster de dag starten, met een kort gesprekje of een blik.
Het kind gaat naar zijn tafel en kijkt of zijn plantje water nodig heeft. Het brengt het plantje naar de vensterbank en ruimt het kleedje waarop het plantje stond op. Het plantje maakt deel uit van de voorbereide omgeving en daagt zo uit tot zorg (voor het plantje zelf, en vandaar uit voor de omgeving).
Het kind gaat aan het werk, het kijkt of het eigen werk heeft, maar kan ook uit de kast kiezen. (Voorbereide omgeving: alle materialen staan overzichtelijk klaar voor het kind). Het kan kiezen om aan zijn tafel te werken, of een kleedje in het midden van de klas uit te rollen en daar te gaan werken. Het kleedje is er voor om op een afgebakend plekje in een voor het kind prettige houding te kunnen werken.
Als het werkje klaar is ruimt het kind het zelf met zorg weer op. Het kan dan aan iets anders beginnen, alleen of met een ander kind. Vaak zie je dat dit ook het moment is waarop kinderen even rond lopen en kijken wat andere kinderen aan het doen zijn. Het kijken bij andere kinderen inspireert en is voorbeeld om zelf aan de slag te gaan.
“Help mij het zelf te doen”. Als de kinderen aan het werk gaan, staat de leidster eerst voor de klas om te kijken waar iedereen aan is begonnen. Vervolgens loopt ze een kort rondje om de laatste kinderen aan het werk te helpen. Als kinderen hulp nodig hebben, leggen ze een kaart neer. Vaak doen ze dat pas nadat ze hulp hebben gevraagd aan een klasgenoot en dat niet is gelukt.
Als alle kinderen aan het werk zijn, loopt de leidster een ronde om individuele lesjes te geven. Deze lesjes zijn erop gericht dat kinderen zo snel mogelijk zelf weer verder kunnen. De leidster geeft naast de gevraagde lesjes ook lesjes waarvan ze ziet dat het kind er aan toe is.
“Vrijheid in gebondenheid”. Als de kinderen aan het werk gaan, ontstaat er vanzelf een stille werksfeer in de klas. Dit komt ook door het principe “vrijheid in gebondenheid: de leidster heeft in algemene lesjes voorgedaan hoe je met elkaar omgaat in de werkperiode, naar elkaar toe lopen als je iets wilt zeggen, zachtjes praten, materialen met twee handen dragen, stoel aanschuiven, en zo voorts.
De leidster is vaak onopvallend aanwezig in de klas. Ze zit vaak tussen de kinderen in, en draagt zelf ook bewust bij aan de goede werksfeer: als ze iets tegen één kind wil zeggen, zal ze er altijd naar toe gaan. Bij een algemene oproep rinkelt ze het belletje. Het belletje is dan het teken voor een algemene mededeling of dat de werkperiode is afgelopen.
2.2 Uitgangspunten van ons montessorionderwijs
Onze school is een gecertificeerde montessorischool.Dat houdt in dat we erkend zijn door de Nederlandse Montessorivereniging. Visiteurs van de vereniging bezoeken montessorischolen, daarbij letten ze erop of de school voldoet aan vastgestelde criteria.
Wij zijn geen orthodoxe montessorischool. De manier waarop wij lesgeven en leerlingen inspireren en corrigeren is gebaseerd op het gedachtegoed van Maria Montessori. Toch volgen we haar ideeën meer naar de geest dan naar de letter. Ook daarmee volgen wij haar in haar voetsporen. Want het was Maria Montessori zelf die tijdens haar leven waarschuwde voor het gevaar van een vastomlijnde methode. Elke tijd vraagt om een aanpassing van de uitgangspunten, vond ze. En wij zijn het daarmee eens.
2.2.1 Drie groepen in een klas
Opmerkelijk aan montessorionderwijs is dat drie leerjaren bij elkaar in een klas zitten. In de onderbouw zijn dat de groepen 0-1-2. De middenbouw bestaat uit de groepen 3-4-5 en de bovenbouw wordt gevormd door de groepen 6-7-8. Die samenvoeging van drie leerjaren in een klas is een bewuste keuze. De leerlingen stromen als jongsten een klas binnen, horen een jaar later bij de middelsten en verlaten de klas als oudsten. Dit proces herhaalt zich driemaal, in de onderbouw, de middenbouw en de bovenbouw. Een leerzaam proces als het gaat om het leggen van sociale contacten en het dragen van verantwoordelijkheden ten opzichte van oudere en jongere klasgenoten.
Veel montessorischolen in Nederland kiezen er tegenwoordig voor om van drie groepen naar twee groepen te gaan. Als team hebben wij ervoor gekozen om de drie groepen te handhaven. In de praktijk merken we dat het de leerlingen goed doet om opeenvolgend tot de jongsten, de middelsten en de oudsten te behoren. Jongste leerlingen zien om zich heen dat je eerst iets eenvoudigs moet leren voor je aan wat moeilijkers kunt beginnen. Oudere kinderen leren jongere kinderen helpen. Om iets te kunnen uitleggen moeten ze de stof beheersen. Dat dwingt hen tot logisch nadenken en geeft hen zelfvertrouwen. In principe blijven de leerlingen drie jaar bij dezelfde leidster. Dat maakt de kans groter dat er een stevige relatie kan groeien tussen leerling en leidster en leidster en ouders.
2.2.2 Op eigen niveau in eigen tempo
Door een kindvriendelijke, veilige en ordelijke omgeving proberen we de leerlingen uit te dagen om veel te leren en samen te werken. Iedere leerling mag een deel van de dag naar eigen inzicht indelen. Daardoor leert het kind geleidelijk aan een planning te maken. Bovendien kan het ervoor kiezen meer tijd te besteden aan vakken waarin het niet zo goed is. We noemen dit de vrije werkkeuze.
Het gedachtegoed van Maria Montessori sluit mooi aan bij de individualisering van het onderwijs en bij het streven naar adaptief onderwijs, hetgeen inhoudt dat het aangebodene aansluit bij de specifieke leerbehoefte van een kind. Een van de uitgangspunten van de leermethode volgens Maria Montessori is dat íedere leerling wil leren, mits het op de juiste manier geprikkeld wordt. Wanneer dat gebeurt zal het kind zelf actief aan het leerproces deelnemen, waarbij het –met name in de onderbouw- gebruik kan maken van het concrete montessorimateriaal. Dat veelgeroemde materiaal geeft het kind inzicht in wat het leert. De leidster geeft daarbij individuele lesjes, begeleidt de leerling, bekijkt of niveau en tempo overeenkomen met de capaciteiten van het kind en houdt de vorderingen van iedere leerling nauwkeurig bij. Alleen wanneer het nodig is, grijpt ze in en wijst het kind de te volgen weg, eventueel door het geven van opdrachten. Om tot zelfstandigheid te komen, leert de leerling te werken binnen een gestructureerde vrijheid. ‘Vrijheid in gebondenheid’, zoals Maria Montessori dat noemde. Onnodig ingrijpen door volwassenen bemoeilijkt de ontwikkeling van een kind naar zelfstandigheid. De montessorischool wil een omgeving zijn die voortdurend uitdaagt tot zelf handelen. De leidsters zijn daarom geschoold in het observeren van ieder kind afzonderlijk en in het gericht aanbieden van de montessori¬leer¬middelen.
2.2.3 Montessorimateriaal
Vooral in de onderbouw neemt het montessorimateriaal een belangrijke plaats in. De gedachte achter het materiaal is dat het kind met concrete en symbolische leermiddelen inzicht kan krijgen in soms moeilijke en abstracte begrippen. Het werkt vaak zelfcorrigerend, zodat de leerling zijn eigen fouten kan ontdekken en herstellen zonder dat de leidster eraan te pas komt. Het materiaal is aangepast aan het ontwikkelingsniveau van de leerling. Het is kleurrijk, vervaardigd uit natuurlijke grondstoffen en is mooi gemaakt. Het vormt een voortdurende prikkel. Bij de jonge leerling komt het aantrekkelijke materiaal tegemoet aan zijn zintuiglijke behoeften, waardoor het verstandelijke vermogen wordt geactiveerd.
Voor de oudere leerling zijn de specifieke montessorileer¬middelen meer gericht op de intellectuele vaardigheden en op de groeiende belangstelling voor de buitenwereld. Wel neemt in de midden- en bovenbouw het oorspronkelijke montessorimateriaal door de aanschaf van nieuwe lesmethoden en door het toenemende gebruik van computers een andere plaats in.
2.2.4 Individueel, groeps- en klassikaal onderwijs
Door observatie, door persoonlijk contact bij het aanbieden van het materiaal, door stimulering van de zelfwerkzaamheid, door attent te zijn op bijzonderheden die de aandacht vragen, biedt de leidster ieder kind de kans zich optimaal te ontwikkelen. Als een kind van vier wil leren lezen, dan maken we gebruik van die motivatie. Daarom wachten we met leren lezen niet tot groep 3. Datzelfde geldt voor leren schrijven en rekenen. Ook in de midden- en bovenbouw proberen we de leerling op eigen niveau te laten werken.
Diverse leermiddelen nodigen uit tot of vereisen samenwerking. Van bepaalde leermiddelen zijn slechts een of twee exemplaren in een lokaal aanwezig. Omdat de leerling daardoor wordt gedwongen te wachten, stimuleert hem dat tot samenwerking of tot een andere dagindeling. Natuurlijk zijn leerlingen vrij om zelfstandig te werken. Toch zullen ze door de sfeer in de groep, de gemengde leeftijdsopbouw en het uitdagende materiaal ervaren dat het plezierig kan zijn om samen te werken en zich sociaal te gedragen.
Leren doen kinderen echter niet alleen in vrijheid, maar ook in de gebondenheid van de school en de leerdoelen die de school stelt.
Afhankelijk van de lesstof geven de leidsters ook groepslessen en zo nu en dan klassikale instructies.
2.2.5 Van bouw naar bouw
Over het algemeen verloopt de overgang soepel van onderbouw naar middenbouw en van middenbouw naar bovenbouw. Dat komt omdat alle bouwen dezelfde manier van begeleiding kennen, we werken met op elkaar aansluitende lesmaterialen en de leidsters maken gebruik van een doorlopend aantekensysteem. Als een leerling doorstroomt naar een volgende bouw vult de leidster een overdrachtsformulier in en voeren de leidsters van de bouwen een overdrachtsgesprek.
De kinderen hebben ook tijdens “de intellectuele wandeling“ al kennis kunnen maken met andere groepen. Zo kan bijvoorbeeld een kleuter een bezoek brengen aan de middenbouw en daar een werkje doen.
Bij de verdeling van de onderbouw naar de middenbouw en van de middenbouw naar de bovenbouw, houden we rekening met een aantal vaste gegevens. We doen dit om te komen tot een goed uitgebalanceerde samenstelling van kinderen.
De aspecten die bepalend zijn voor onze keuze zijn de volgende:
1 We plaatsen geen broertjes en zusjes in dezelfde groep.
2 We proberen een evenredige verdeling te maken tussen jongens en meisjes.
3 We streven ernaar bij elk kind een vriendje of vriendinnetje te plaatsen.
4 Bij de samenstelling van de nieuwe groep letten we erop dat kinderen met leer -en/of gedragsproblemen zo veel mogelijk gespreid worden.
5 Het totale aantal leerlingen van de nieuwe groep moet ongeveer gelijk zijn aan die van de parallelgroepen.
Wanneer we alle overwegingen zorgvuldig overdacht hebben,komen we tot een definitieve keuze. Het is dan ook voor kinderen en ouders niet meer mogelijk hierin verandering te brengen. Ook met eventuele wensen vooraf, kunnen wij helaas geen rekening houden; dit maakt de samenstelling van de groepen nog ingewikkelder.
2.2.6 Maria Montessori
Maria Montessori werd in 1870 geboren in Chiaravalle, een stadje in het oosten van Italië. Op haar twaalfde ging ze naar een technische middelbare school. Daarna volgde ze, als een van de eerste vrouwelijke studenten in Italië, de studie geneeskunde. Nog weer later behoorde ze tot de eerste Italiaanse vrouwen die promoveerden.
Als arts heeft ze niet lang gewerkt. Kort na haar studie werd ze getroffen door de manier waarop kinderen destijds les kregen en hoe men over opvoeding en onderwijs dacht. Men ging er vanuit dat kinderen niet wilden leren en dat ze daarom streng behandeld moesten worden. Leerlingen moesten hele dagen rechtop in schoolbanken zitten. Ze moesten hardop nadreunen wat de leidster hen vertelde. Ze moesten allerlei dingen uit hun hoofd leren. En leerde een kind niet snel genoeg, dan kon hij een pak slaag krijgen. Maria Montessori vond het niet vreemd dat kinderen een hekel hadden aan school.
Toen zij in 1907 de kans kreeg om een soort crèche te beginnen (Casa dei Bambini, huis van de kinderen) richtte ze die totaal anders in en werden de kinderen er totaal anders benaderd. In haar tijd ontwikkelden mensen nieuwe ideeën ten opzichte van scholing en opvoeding. Montessori wilde alles weten van die nieuwe inzichten. Wat haar aansprak sprokkelde ze bij elkaar en ze probeerde van alles uit. Langzaam maar zeker ontwikkelde ze de Montessori-methode.
In het kort houdt die in dat een kind graag leert, graag werkt en zich voor iets inzet, als de taak aan zijn leeftijd en ontwikkeling is aangepast. Zet een kind in een prettige, veilige en geordende omgeving die uitnodigt om op onderzoek uit te gaan, prikkel het met het juiste materiaal en je zult zien dat het leert. Natuurlijk in zijn eigen tempo en op zijn eigen niveau. Montessori beschouwde kinderen als bouwlieden die van zichzelf mensen maken, als ze in vrijheid richting kunnen geven aan de drang om zichzelf te ontwikkelen. Om kinderen op de juiste manier te prikkelen ontwierp ze leermiddelen, de montessorimaterialen. Dat materiaal moest er mooi uitzien, vond ze, en moest op een bepaalde manier voelen. Bij leren heb je al je zintuigen nodig, was haar gedachte. In haar scholen werden kinderen niet afgesnauwd en afgestraft, maar werd het positieve beloond. De leidster werd leider genoemd en moest een opleiding volgen voor ze op haar school mocht werken. Ze moest leren een kind goed te observeren, op het juiste moment het juiste materiaal aan te bieden, niet degene te zijn die het initiatief neemt en het kind niet voortdurend te helpen. ‘Help mij het zelf te doen’, wordt wel beschouwd als de kern van het montessorionderwijs.
Ook de ruimte waarin de lerende kinderen verbleven moest aan allerlei eisen voldoen. Aantrekkelijke open ruimtes moesten het zijn, met op maat gemaakte meubeltjes, met lage, open kasten waaruit het kind zelf het prikkelende materiaal kon pakken. De kinderen moesten kleedjes op de vloer kunnen uitspreiden om op te zitten.
Montessori had uitgesproken ideeën over de sociale aspecten van leren. Ze vond het belangrijk dat er meerdere leeftijdsgroepen bij elkaar zaten, zodat jongere kinderen aan ouderen hulp konden vragen en ouderen hulp konden bieden. Jong en oud zouden zo aandacht krijgen voor elkaars behoeften en rekening leren houden met elkaar.
Maria Montessori wist wereldwijd mensen voor haar onderwijsmethodiek te interesseren. Overigens kreeg ze ook veel kritiek.
Meer weten?
De methode. De ontdekking van het kind. Door dr. Maria Montessori, uitgeverij Van Holkema & Warendorf.
Maria Montessori, 1870-1952. Kind van haar tijd. Vrouw van de wereld, door Marjan Schwegman, uitgeverij Amsterdam University Press.
Maria Montessori. De Italiaanse arts die het onderwijssysteem over de hele wereld ingrijpend veranderde, door Michael Pollard, uitgeverij Infodok Leuven
www.montessori.nl
2.2.7 Identiteit
Onderstaande doelstellingen en visie staan in een christelijk perspectief. Het wordt gedragen door het team, dat leeft en werkt vanuit een christelijke visie.
• De Montessorischool Soest is een katholieke school. Het katholieke aspect is terug te vinden in de totale sfeer. Het is echter geen school voor alleen katholieke kinderen; ook kinderen van andere gezindten of kinderen van niet-gelovige ouders zitten op onze school en voelen zich er thuis. Onze school is toegankelijk voor kinderen van alle nationaliteiten, gezindten en culturen, op basis van gelijkwaardigheid.
• Door nu al respect te hebben voor elkaar staat het kind in de toekomst open voor ieder “ander”. In het verlengde hiervan zijn wij alert op discriminatie en pesten. Wij werken met veel inzet aan het voorkomen hiervan.
Met de inschrijving van de leerling op onze school, onderschrijven de ouders onze identiteit.
2.2.8 Leefklimaat
De samenwerking tussen bestuur, directie, team, ouders en kinderen vormt de basis voor een goed schoolklimaat.
• Het samenwerken staat in het teken van respect voor elkaar en rekening houden met elkaar. We zijn alert op pesten en via conflicthantering, duidelijke afspraken en sociale competenties willen wij preventief werken aan het voorkomen daarvan.
• Wij laten in ons dagelijks handelen steeds weer zien dat normen en waarden hoog in ons vaandel staan. Elke leerling brengen en houden we op de hoogte met de afspraken die wij binnen onze school hanteren.
• Er moet ruimte zijn om jezelf te zijn en we vinden het belangrijk dat alle betrokkenen het gevoel hebben optimaal te kunnen functioneren. Orde en regelmaat zorgen ervoor dat er ruimte is en aandacht voor elk individueel kind.
• Wij streven er ieder jaar weer naar om de juiste persoon op de juiste plek te kunnen zetten. De leidsters krijgen alle gelegenheid om zich te professionaliseren. Iedere werknemer binnen onze school krijgt de kans om zich te ontwikkelen. De opbrengst hiervan stroomt indirect weer terug naar de leerling.
2.2.9 Ouders en kinderen
Voor een goed sociaal evenwicht van de kinderen is het belangrijk, dat ouders/verzorgers en leidsters elkaar ondersteunen in de benadering van de leerlingen. Als ouders daadwerkelijk betrokken zijn bij het onderwijs van hun kind, bereiken kinderen betere resultaten op school.
Dat willen we bereiken door:
• De informatievoorziening van de school naar de ouders te zien als een belangrijke pijler in het onderlinge contact.
• Actief te stimuleren dat ouders de visie, missie en regelingen van de school onderschrijven.
• Open te staan voor constructieve feedback om hiermee ons voordeel te kunnen doen.
2.2.10 Samenleving
De Montessorischool vindt het belangrijk om als school midden in de maatschappij te staan.
Dit streeft de school na door:
• Gebruik te maken van alle mogelijkheden die de nabije omgeving ons biedt zoals de bibliotheek, de kinderboerderij, Idea , museum Oud Soest en de Kwekerij.
• Maatschappelijke en actuele gebeurtenissen als uitgangspunt te nemen bij diverse lessen.
Ons uitgangspunt is om alle leerlingen zodanig te begeleiden en te stimuleren, dat ze optimaal gebruik kunnen maken van hun mogelijkheden om na de basisschool die opleiding te kunnen kiezen die past bij hun mogelijkheden en vaardigheden.
• Leerlingen zijn gelijkwaardig. Iedere leerling heeft zijn eigen inbreng en wordt daarin optimaal begeleid.
• Wij accepteren geen discriminatie en racisme.
• Iedere leerling moet zich veilig voelen op onze school.
• Onze school biedt de kinderen veel structuur.
• Goed met elkaar omgaan vinden wij zeer belangrijk.
• Jezelf mogen zijn, zonder daar op afgerekend te worden.
• De doorgaande lijn is binnen onze school zeer sterk waarneembaar
2.3 Sfeer in de school
Onze school is een school met een gezellige en open cultuur. De kinderen kunnen altijd bij hun leidster terecht om zaken te bespreken die voor hen belangrijk zijn.
Tevens bieden wij als school structuur, zodat de kinderen rustig kunnen werken.
De kleuren in onze school zijn licht en de school ziet er opgeruimd uit.
Wij vinden het belangrijk om een ontspannen sfeer te scheppen, waardoor de kinderen tot betere prestaties komen.
We hebben ervoor gekozen de kinderen qua leeftijd over het gebouw te verdelen. Dit betekent dat er beneden een onder- midden- en bovenbouw zit en boven van elke bouw twee.
Binnen de school werken we met drie soorten afspraken;
Omgangsafspraken met respect naar en voor elkaar
Groepsafspraken in de klas
Afspraken bij het buitenspelen en het bewegen op de gangen en trappen.
Al onze afspraken stellen we zoveel mogelijk positief (het woordje ‘niet’ wordt zo weinig mogelijk gebruikt. Bij het aanspreken op de afspraken geven we aan wat we van het kind verlangen (rustig lopen / zachtjes spreken e.d.)
Accepteren en geaccepteerd worden, fouten mogen maken, bespreken en aanpassen, lopen als een rode draad door het schoolleven.
School werkt volgens de methodiek van de Kanjertraining. In elke groep hangt een lijst met afspraken vanuit deze Kanjertraining. Deze werkwijze creëert een klimaat in de groep waarin je serieus genomen wordt en waaruit blijkt dat je als individu meetelt op onze school.
Gedragscodes en doelen voor de leerlingen:
• Accepteren en geaccepteerd worden, fouten mogen maken, bespreken en aanpassen, lopen als een rode draad door het schoolleven.
• In elke groep hangt een lijst met afspraken vanuit de Kanjertraining.
• Deze werkwijze creëert een klimaat in de groep waarin je serieus genomen wordt en waaruit blijkt dat je als individu meetelt op onze school.
Helaas komt pesten op iedere school voor. De praktijk leert, dat er rond de pester vaak “meelopers” zijn, die mee pesten om erbij te horen.
Snel signaleren is erg belangrijk. We streven een actief anti-pestbeleid na. Onze school beschikt over een gedragsprotocol.